Ik krijg regelmatig de vraag of ik “iets kom vertellen over AI”. Dat is goed bedoeld en het werkt niet. Iemand die een uur naar mij luistert weet daarna wat ik ervan vind. Hij weet nog steeds niet hoe het voelt om iets te beschrijven in gewone taal en het vervolgens te zien ontstaan.
Dus heb ik het omgedraaid. Geen presentatie met een oefening erin, maar een oefening met wat uitleg eromheen. Hieronder staat de hele werkvorm. Je mag hem overnemen.
Ik geef dit soort sessies op verschillende plekken en in verschillende vormen. Voor mensen uit publieke innovatie, voor ondernemers, voor schrijvers, voor wie er verder nieuwsgierig naar is. Het publiek wisselt, de opzet blijft grotendeels staan. Wat verandert is het voorbeeld dat ik zelf laat zien en waar het gesprek daarna heen gaat.
De opzet in het kort
| Tijd | Wat |
|---|---|
| 0-4 | Eén zin uitleg, dan de opdracht |
| 4-19 | Zij bouwen. Ieder een eigen ding |
| 19-32 | Rondje langs de schermen |
| 32-42 | Ik laat zien wat er gebeurt als je doorpakt |
| 42-53 | De kanttekening |
| 53-60 | Wat nu |
Eén regel is hard: om vier minuten typen ze. Loopt de opening uit, dan schrap ik in de opening en nooit in het bouwblok.
Waarom het doen vóór het uitleggen komt
Dit is het hele idee, dus ik neem er even de tijd voor.
Wie eerst een uitleg krijgt, begint voorzichtig. Hij heeft gehoord wat er allemaal mis kan gaan, hij weet dat er een expert in de zaal staat, en hij formuleert zijn eerste opdracht alsof hij beoordeeld wordt. Precies dat voorzichtige is wat je moet wegnemen, want vibe coding werkt juist door hardop te klagen tegen de machine als het niet klopt.
Wie meteen begint, ontdekt dat zelf. Binnen vijf minuten heeft iedereen door dat het eerste antwoord nooit helemaal goed is, dat je kunt zeggen “nee, dit is lelijk, doe het anders”, en dat het sneller gaat dan verwacht. Die drie dingen kun je ook vertellen. Ze landen alleen niet.
De prijs is echt. De eerste minuten zijn ongemakkelijk, voor de zaal en voor mij. Er is geen agenda, geen voorstelrondje, geen slide met leerdoelen. Dat ongemak hoort erbij en moet je uithouden, want de neiging om het vol te praten is groot.
Waar het publiek in verschilt
De oefening is overal hetzelfde, het gesprek erna niet.
Bij publieke innovatie zit de winst niet in dat ene prototype maar in de reeks eromheen. Iets maken, het voorleggen, kijken of de aanname eronder klopt, de volgende versie maken, en dat blijven herhalen tot je weet wat werkt. Pas op dat punt wordt de echte vraag interessant: bouw je dit in de bestaande systemen, of moet er iets nieuws komen. En als het antwoord “iets nieuws” is, ontwerp en bouw je dat vervolgens op precies dezelfde manier. De snelheid is niet het punt, het goedkoop kunnen twijfelen wel.
Bij ondernemers gaat het gesprek meestal over de rekening. Een idee testen kostte tot voor kort een offerte en een paar weken, en dat is precies de reden dat de meeste ideeën ongetest bleven. Bij schrijvers en makers gaat het juist over de eigen manier van werken: niet iets bouwen om te verkopen, maar gereedschap maken dat alleen voor jou hoeft te werken.
Wat in alle gevallen hetzelfde is: zolang je het niet zelf hebt gedaan, blijft het een verhaal over andermans werk.
De opdracht
Op een kaartje, en dit is de volledige tekst:
Bedenk iets kleins dat je zelf zou willen hebben. Beschrijf het in gewone taal. Klaag als het niet klopt. Twintig minuten.
Meer sturing geef ik niet. Zelfgekozen is het punt. Een opgelegde opdracht voelt als werk, en werk maakt mensen weer voorzichtig. Ik reken erop dat de een een rekenhulpje voor zijn hypotheek maakt en de ander een aftelklok naar zijn pensioen, en dat is precies goed.
Nadeel van vrije keuze: er is geen gedeelde uitkomst om over na te praten. Het rondje daarna vangt dat op, want de patronen zijn wel gedeeld, ook al is niemands maaksel hetzelfde.
Wat je doet als de techniek tegenzit
Ik ga uit van het slechtste geval: laptops met beleid erop, geen installatierechten, mogelijk een netwerk dat de hele boel blokkeert. De werkvorm mag daar niet op omvallen, dus er is een ladder. Zakt niveau 1 weg, dan ga ik naar 2, en zo verder.
- Eigen laptop, browser, klaar.
- Telefoon met eigen data, als het netwerk het domein blokkeert.
- Duo’s aan één werkend scherm. Eén typt, één stuurt.
- De zaal dicteert, ik typ op de beamer.
Niveau 4 klinkt als mislukking maar is het niet. Sturen zonder zelf te typen is precies wat de meeste mensen straks doen. Als het zover komt zeg ik dat hardop en draai ik het blok door.
Eén mailtje een week vooraf verplaatst de hele groep waarschijnlijk naar niveau 1: neem een laptop mee, maak vooraf een gratis account aan, kost twee minuten. Het slechtste geval is een aanname, geen natuurwet.
De kanttekening, en waarom die van mij moet komen
Elf minuten aan het eind, over het ding dat ze net zelf maakten. Niet in het algemeen, want in het algemeen is iedereen het eens en verandert er niets.
- Wie beheert dit over een jaar?
- Waar ging je invoer naartoe?
- Wat als iedereen hier dit doet zonder het te melden?
- Wie is aansprakelijk als het fout rekent?
Vraag 1 heeft maar één antwoord, en dat is “niemand”. Laat die stilte vallen. Vraag 3 is de belangrijkste: in elke organisatie van enige omvang gebeurt dit al, alleen weet niemand hoeveel. Breng het zonder verwijt, anders gaat de zaal ontkennen in plaats van nadenken.
De boodschap van dit blok is niet dat AI gevaarlijk is. Het is dat het prototype gratis was en het beheer niet. Wie dat verschil voelt, stelt vanzelf betere vragen bij het volgende project.
Ik zet dit blok aan het eind en niet aan het begin, maar ik sla het nooit over. Als ik mensen enthousiast naar buiten laat lopen zonder deze vier vragen, heb ik ze een half verhaal verkocht. Het komt toch, en dan van iemand anders, op een moment dat het minder goed uitkomt.
Wat er misgaat
Dit zijn de drie dingen die het vaakst terugkomen, ongeacht het publiek.
De opening is te stil. Vier minuten leest kort op papier en voelt lang in een zaal, en de neiging om hem alsnog vol te praten is de fout die ik zelf het vaakst maak.
Het rondje loopt uit. Iedereen wil zijn ding laten zien en dat is precies wat je wilt, maar het gaat ten koste van de kanttekening. Ik knip liever mijn eigen deel af dan dat blok.
Iemand raakt gefrustreerd. Dat is geen probleem maar de les: laat hem klagen tegen het model in plaats van tegen mij. Het lastige is dat je dan moet toekijken zonder het over te nemen, en die neiging is sterk.
Pak het zelf
De hele werkvorm past op een half A4. Wat je nodig hebt:
Kaartje per deelnemer:
"Bedenk iets kleins dat je zelf zou willen hebben.
Beschrijf het in gewone taal. Klaag als het niet klopt.
Twintig minuten."
Vooraf per mail:
laptop meenemen, gratis account aanmaken, verder niets.
Voor jezelf:
de vier vragen, de fallbackladder, en de discipline
om om vier minuten je mond te houden.
Begin klein. Draai hem eerst met vier collega’s aan een tafel voor je hem voor een grotere groep gebruikt, want de discipline om te zwijgen oefen je makkelijker met vier mensen dan met twintig.
Dit stuk gaat over een werkvorm die je zelf draait. De omgekeerde variant, waarin je zelf een dag aan tafel zit en het werk doet, ligt er nog niet. Of hij er komt hangt af van wie zich meldt op de praktijk.
